In bijna de helft van alle landen ter wereld is homoseksualiteit strafbaar. In sommige landen kan er zelfs de doodstraf voor worden opgelegd. In Marokko kan men 6 maand tot 3 jaar gevangenisstraf krijgen voor homoseksualiteit, er is ook geen enkele bescherming tegen discriminatie of het plegen van geweld tegen homoseksuelen.
Een wijs overwogen kantteking n.a.v. de recente aanslag op de Pride in Berlijn door een gebrainwashte islamist:
28 juli om 17:11 - LGBTQ en islam
Ik lees de reacties na de aanslag in Berlijn op een Pride-evenement en de verijdelde aanslag in Leuven met een dubbel gevoel. Als moslim voel ik de pijn van mensen uit de LGBTQ-gemeenschap die zich opnieuw geviseerd weten. Tegelijk weet ik dat veel moslims zich meteen mee in het beklaagdenbankje voelen belanden. De verleiding is groot om dan te antwoorden dat homohaat ook voorkomt bij extreemrechtse conservatieven, in andere religies of in de manosfeer. Daar zit waarheid in, alleen brengt die waarheid ons vandaag geen stap vooruit. Wie geloofwaardig wil zijn, begint met de eigen verantwoordelijkheid.
Om te beginnen bestaat er niet iets als ‘dé moslim’, zoals ook ‘dé christen’ of ‘dé atheïst’ niet bestaat. De islamitische wereld telt meer dan anderhalf miljard mensen, verspreid over tientallen landen, culturen en denktradities. Wie alle moslims onder één noemer plaatst, begrijpt even weinig van religie als iemand die beweert dat alle Europeanen hetzelfde denken.
Wanneer het over homoseksualiteit gaat, zie ik vandaag grofweg vijf houdingen.
Helemaal aan het ene uiteinde staan zij die geweld religieus proberen te legitimeren. Voor hen blijft het niet bij afkeuring. Zij slaan, bedreigen of doden. Zij vormen een kleine minderheid, maar richten een verwoestende schade aan, zowel voor slachtoffers als voor de islam zelf. Voor deze groep bestaat maar één antwoord: de volle kracht van de rechtsstaat! Wie geweld pleegt of oproept tot geweld tegen mensen omwille van hun geaardheid, moet onverbiddelijk worden opgespoord, vervolgd en streng bestraft. Daarover kan geen enkel misverstand bestaan.
Een tweede groep verwerpt zowel homoseksualiteit als de homoseksuele persoon. Hun afwijzing raakt de mens zelf. Dat standpunt leeft nog altijd in delen van de islamitische wereld en ook binnen sommige moslimgemeenschappen in Europa.
Een derde groep maakt wel een onderscheid tussen de persoon en zijn of haar geaardheid. Zij beschouwen homoseksuele handelingen als religieus verboden, maar vinden tegelijk dat ieder mens respect en waardigheid verdient. Dat ligt dicht bij het klassieke standpunt dat ook de katholieke Kerk jarenlang innam.
Daarna volgt een groeiende groep moslims die het oordeel bewust opschort. Door samen te werken, te studeren en te leven met mensen die anders zijn, leren zij eerst de mens kennen en pas daarna het etiket. Zij laten het laatste oordeel over aan God, die volgens de islam zowel rechtvaardig als barmhartig is. Voor hen staat menselijke waardigheid altijd voorop.
Ten slotte groeit er, vooral onder een kleine groep islamitische denkers, theologen en academici, een debat over de traditionele interpretaties. Zij beweren doorgaans niet dat de klassieke islamitische rechtsleer homoseksuele handelingen heeft toegestaan. Integendeel, zij erkennen dat gedurende meer dan duizend jaar een brede consensus bestond over het verbod. Hun zoektocht richt zich op de vraag of de Koran en de profetische traditie vandaag ook op een andere manier gelezen kunnen worden. Daarbij verwijzen sommigen naar het verhaal van Sodom, waar volgens hen de nadruk ligt op vernedering, machtsmisbruik, verkrachting en het schenden van gastvrijheid, eerder dan op een relatie tussen twee volwassenen.
Anderen wijzen erop dat voortplanting in de klassieke islamitische traditie een van de belangrijkste argumenten vormde tegen homoseksuele handelingen. De invloedrijke elfde-eeuwse theoloog Al-Ghazali, die door veel soennitische moslims als een van de grootste denkers uit de islamitische geschiedenis wordt beschouwd, behoort tot de geleerden die die redenering hebben uitgewerkt. Volgens sommige hedendaagse auteurs verdient ook dat argument een herlezing. Het kleine percentage homoseksuelen in de samenleving vormt immers geen bedreiging voor het voortbestaan van de mensheid. Hun visie blijft binnen de islam een minderheidsstandpunt en wordt door veel traditionele geleerden verworpen, maar het debat bestaat wel degelijk en verdient een eerlijke weergave.
Wie denkt dat alleen de islam met deze worsteling geconfronteerd wordt, vergeet hoe jong onze eigen (westerse) geschiedenis is. Alan Turing, de briljante wiskundige die mee de Enigma-code van nazi-Duitsland kraakte, werd in 1952 veroordeeld wegens homoseksualiteit en stierf twee jaar later. De Wereldgezondheidsorganisatie schrapte homoseksualiteit pas in 1990 uit de lijst van geestesziekten. België erkende in 1996 een wettelijke samenlevingsvorm voor homokoppels, voerde het homohuwelijk in 2003 in en adoptierecht volgde pas in 2006. Morele inzichten rijpen vaak trager dan we achteraf willen toegeven.
Ook de islamitische geschiedenis is minder zwart-wit dan vaak wordt voorgesteld. Filosoof Michel Leezenberg beschrijft in De minaret van Bagdad hoe er eeuwenlang een religieus verbod op homoseksuele handelingen bestond, terwijl Arabische artsen, dichters en geleerden tegelijk verrassend open schreven over (homo)seksualiteit en verlangen, soms in bijzonder expliciete bewoordingen. Toen de Franse schrijver Guy de Maupassant een aantal van die teksten naar Europa hielp introduceren, werden ze door velen als te pornografisch weggezet. Tijdens het victoriaanse tijdperk waaide vervolgens een veel strengere seksuele moraal over naar delen van de islamitische wereld, waardoor ook daar het publieke debat over seksualiteit verder verstarde.
Tegelijk verdient ook een ander verschijnsel aandacht. Wie jarenlang zweeg toen holebi’s werden uitgesloten, maar vandaag plots met regenboogvlaggen zwaait om vooral moslims weg te zetten, verdedigt zelden de rechten van LGBTQ-personen. Dat is wat sommigen ‘homonationalisme’ noemen: de strijd voor gelijkheid wordt dan een instrument om een andere minderheid uit te sluiten. Daar schiet uiteindelijk niemand iets mee op.
De aanslagen in Berlijn en de plannen in Leuven verdienen een ondubbelzinnige veroordeling. Als mens, als moslim en als burger van een democratische rechtsstaat. Wie geweld pleegt in naam van God, verraadt zowel zijn geloof als zijn medemens. Tegelijk groeit een samenleving alleen wanneer ze mensen uitnodigt om te evolueren in plaats van hen voorgoed vast te zetten in één identiteit of één karikatuur. Geschiedenis leert dat overtuigingen kunnen veranderen. Dat geldt voor samenlevingen, voor religies en voor mensen. Juist daarom blijft dialoog sterker dan demonisering en moed sterker dan angst."
Khalid Benhaddou