zaterdag 8 juni 2024
zondag 15 augustus 2021
Avondliedeke MMXXI
Avondliedeke MMXXI
geïnspireerd op ‘Avondliedeke III’ van Alice Nahonen geschreven voor het Alice Nahon project van Gust Peeters
.
Nog even voor het slapen gaan
op mijn smartphone controlerenof ik genoeg reacties kreegen mensen mij nog steeds waarderen
ik tel de likes en alle hartjesop facebook, twitter en LinkedInop snapchat en op Instagramop alles wat ik daar verzin
ik deel ook veel, voorzie van likesen geef reacties hier en daarwant netwerken is wederzijdsje bent er eigenlijk nooit mee klaar
soms klik ik op emoticonstot ergens heel diep in de nacht…’t is goed om toewijding te tonenen dan te zien wat dat heeft opgebracht.
© bert debenVogelwaarde, zondag 20 juni 2021
Foto: tijdens het Alice Nahon project 15 augustus 2021, georganiseerd door Gust Peeters, werden zowel de gedichten van Nahon als van de dichters die een repliekgedicht schreven voor dit project als gedichtenroute opgehangen aan de bomen van de oprijlaan van het Schoonselhof
Een uitgebreid verslag van de Alice Nahon middag door Vera Steenput kan je lezen op CultuurPakt: https://www.cultuurpakt.be/andere/op-bezoek-bij-alice-nahon/
2025 gepubliceerd in "Zonder doel zien dolen. Gedichten van en voor Alice Nahon"
Bundelpresentatie zondag 25 mei 2025, 11u - Ridderzaal Kasteel van Schoten
Bestellen voor 15 euro bij Gust Peeters via zonderdoelziendolen@gmail.com.
zondag 11 april 2021
De Wind - Martin Broek
Gedachten rakenop het pad van de stiltede eeuwigheid aan© bert deben
Wie meer van Martin Broek zou willen zien of lezen kan dit op onderstaande links:
http://broekfoto.blogspot.com/ foto's en opripsingen
https://broekstukken.blogspot.com/ over wapenhandel en de oorlogsindustrie.
zaterdag 12 mei 2018
Leda en de Zwaan / Rilke project
.

Na de projecten rond Slauerhoff en Baudelaire werd dit jaar door Kees Godefrooij een project opgezet rond de dichter Rainer Maria Rilke.
Zestig hedendaagse Nederlandse en Vlaamse dichters werden uitgenodigd om een reflectie te schrijven rond een gedicht van Rilke, hieruit ontstond de tweetalige (Nederlands/Duits) bundel “Als ik jou eenmaal verlies / Einmal wenn ich dich verlier”, uitgegeven door Stichting Spleen.
Hieronder, uit de bundel, het gedicht 'Leda' van R.M. Rilke , in een vertaling door Mereie de Jong:
donderdag 23 februari 2017
De Juwelen / Les Bijoux - Charles Baudelaire + La Plainte d'une Perle noire
DE JUWELEN
Mijn lieveling was naakt, en om mijn hart te winnen,
Had ze alleen haar klinkende juwelen aan;
Als in hun blijde jeugd Noord-Afrika’s slavinnen
Was zij door die zo rijke tooi niet te weerstaan.
Haar opschik danst met schel getinkel, lijkt te spotten,
Als zij de wereld van metalen samenbrengt
Met die van edelsteen; ik ben daarop verzot en
’t verrukt me als geluid met lichtglans zich vermengt.
Vanaf haar hoge divan glimlachte ze toen tegen
Mijn liefde, diep gelijk de zee, die langzaamaan
Naar haar, als naar een rotskust, kwam omhooggestegen;
Zo lag ze en zo bood ze mij haar liefde aan.
Met verdroomde air beproefde ze wat poses,
Haar ogen star als een getemde tijgerin,
Nieuwe bekoring kregen haar metamorfoses,
Toen onbevangenheid versmolt met geile zin;
Haar armen en haar benen, lendenen en dijen,
Haar buik, van olie glanzend, welvend als een zwaan,
Mijn helderziende blik mocht zich erin vermeien,
Haar borsten zag ik (ach, als druiventrossen) aan;
Ze lokten me nog meer dan Satans Serafijnen,
De rust verstorend die mijn ziel gevonden had,
Om haar van de kristallen rots te doen verdwijnen
Waarop zij kalm en zelfgenoegzaam nederzat.
Ik dacht in haar een nieuwe mensvorm te ontdekken,
Antiope van heup, een tors van jongeman,
Zozeer bewees haar leest de schoonheid van haar bekken,
En op haar wild, bruin vel werkte de schmink briljant!
- Toen heeft de olielamp zijn schijnsel later smoren,
Alleen het gloeien van de haard was nog niet uit,
En steeds wanneer het vuur vlammend gesis liet horen,
Bevloeide het bloedrood de amber van haar huid!
Charles Baudelaire vertaling Peter Verstegen
LA PLAINTE D’UNE PERLE NOIRE
Ik ben jouw zwarte hoer, jouw beeld van wat
een vrouw moet zijn, een portie onderdelen
bekken, borsten, dijen, een lichaam dat
alleen nog maar gekleed is in juwelen
en verlangend op en neer schuift rond jouw paal
je noemt mij duivels en een vat vol lust
de zwarte bekroning van jouw bacchanaal
verboden kleur, bezorger van onrust
maar wat ben jij - een grauw lijf vol abcessen
een blanke die, ook al is het gestolen
als alle overheersers hier het geld bezit
een uitbuiter achter woorden verscholen
al beschrijf je nog zo mooi de excessen
ik dans voor een aalmoes op jouw etterend lid.
Bert Deben

.
LES BIJOUX
La très chère était nue, et, connaissant mon cœur,
Elle n’avait gardé que ses bijoux sonores,
Dont le riche attirail lui donnait l’air vainqueur
Qu’ont dans leurs jours heureux les esclaves des Mores.
Quand il jette en dansant son bruit vif et moqueur,
Ce monde rayonnant de métal et de pierre
Me ravit en extase, et j’aime à la fureur
Les choses où le son se mêle à la lumière.
Elle était donc couchée et se laissait aimer,
Et du haut du divan elle souriait d’aise
À mon amour profond et doux comme la mer,
Qui vers elle montait comme vers sa falaise.
Les yeux fixés sur moi, comme un tigre dompté,
D’un air vague et rêveur elle essayait des poses,
Et la candeur unie à la lubricité
Donnait un charme neuf à ses métamorphoses ;
Et son bras et sa jambe, et sa cuisse et ses reins,
Polis comme de l’huile, onduleux comme un cygne,
Passaient devant mes yeux clairvoyants et sereins ;
Et son ventre et ses seins, ces grappes de ma vigne,
S’avançaient, plus câlins que les Anges du mal,
Pour troubler le repos où mon âme était mise,
Et pour la déranger du rocher de cristal
Où, calme et solitaire, elle s’était assise.
Je croyais voir unis par un nouveau dessin
Les hanches de l’Antiope au buste d’un imberbe,
Tant sa taille faisait ressortir son bassin.
Sur ce teint fauve et brun le fard était superbe !
– Et la lampe s’étant résignée à mourir,
Comme le foyer seul illuminait la chambre,
Chaque fois qu’il poussait un flamboyant soupir,
Il inondait de sang cette peau couleur d’ambre !
Charles Baudelaire
.
Pour ma réponse, je me suis mis dans la peau de la femme dans le poème, une femme consciente, féministe et pas vraiment impressioné par l'écrivain:
LA PLAINTE D’UNE PERLE NOIRE
Je suis ta putain noire, ton image de ce
qu’une femme devrait être, un nombre
de portions : des hanches, une poitrine, des cuisses
un corps habillé seulement de bijoux
qui glisse languissant de haut en bas autour de ta bite
tu m’appelles diabolique, un tonneau plein de luxure
couronnement noir de ta bacchanale
couleur interdite, porteuse d’agitation
et toi, qu’es-tu ? – un corps livide plein d’abcès
un homme blanc qui, comme tous les oppresseurs ici
possède tout l’argent, même s’il est volé,
exploiteur se cachant derrière les mots
tu décris voluptueusement les excès, mais moi je danse
sur ta queue suppurante, pour une simple aumône.
Bert Deben
zaterdag 31 mei 2014
Het Huwelijk - Willem Elsschot
Het Huwelijk .
.
Toen hij bespeurde hoe de nevel van de tijd
in d'ogen van zijn vrouw de vonken uit kwam doven,
haar wangen had verweerd, haar voorhoofd had doorkloven
toen wendde hij zich af en vrat zich op van spijt.
Hij vloekte en ging te keer en trok zich bij de baard
en mat haar met de blik, maar kon niet meer begeren,
hij zag de grootse zonde in duivelsplicht verkeren
en hoe zij tot hem opkeek als een stervend paard.
Maar sterven deed zij niet, al zoog zijn helse mond
het merg uit haar gebeente, dat haar toch bleef dragen.
Zij dorst niet spreken meer, niet vragen of niet klagen,
en rilde waar zij stond, maar leefde en bleef gezond.
Hij dacht: ik sla haar dood en steek het huis in brand.
Ik moet de schimmel van mijn stramme voeten wassen
en rennen door het vuur en door het water plassen
tot bij een ander lief in enig ander land.
Maar doodslaan deed hij niet, want tussen droom en daad
staan wetten in de weg en praktische bezwaren,
en ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren,
en die des avonds komt, wanneer men slapen gaat.
Zo gingen jaren heen. De kindren werden groot
en zagen dat de man die zij hun vader heetten,
bewegingsloos en zwijgend bij het vuur gezeten,
een godvergeten en vervaarlijke aanblik bood.
Willem Elsschot
(Geb. Alfons De Ridder, 7 mei 1882 – 31 mei 1960)
‘Het Huwelijk’ is veruit het bekendste gedicht van de Antwerpse schrijver Willem Elsschot – hij schreef het op 7 mei 1910 te Rotterdam op zijn 28ste verjaardag. Vooral de zin ‘want tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren’ werd een veel geciteerde uitdrukking, waarvan nog maar weinigen de oorsprong zullen kennen. Het gedicht op zich is dan weer één van de meest beruchte gedichten uit de Nederlandstalige literatuur, vooral door de voor velen toch wel heel confronterende kijk op een huwelijk.
Tijdens een radio interview met de kinderen van Elsschot vertelden deze hoe pijnlijk ze het vonden voor hun moeder dat ‘Het Huwelijk’ steeds weer geciteerd werd – later zou het ook als lied bekend worden. In dat zelfde interview vertelden ze ook dat de vrouw van Elsschot binnen de 24 uur na zijn overlijden zelf zou sterven – na zijn dood bracht zij de kinderen hiervan op de hoogte, om zich daarna naast hem te leggen op het bed en kort daarna eeuwig in te slapen. Zijn as ligt samen met het lichaam van zijn echtgenote begraven op Het Schoonselhof te Antwerpen.
Elsschot werd vooral bekend als prozaschrijver (o.a. ‘Kaas’, ‘Tsjip’ en ‘Het Dwaallicht’) Meer info over Willem Elsschot:
http://nl.wikipedia.org/wiki/Willem_Elsschot
of via de website van het Willem Elsschot Genootschap: http://www.weg.be/
Het gedicht zette mij aan om, van uit het standpunt van een gefantaseerde kennis des huizes, een antwoordgedicht te schrijven:
zaterdag 2 juni 2012
Ode aan 'De tuinman en de dood' (P.N. van Eyck)
Een Perzisch Edelman:
Mijn woning in: "Heer, Heer, één ogenblik!
Toen keek ik achter mij. Daar stond de Dood.
Maar zag nog juist de dreiging van zijn hand.
Voor de avond nog bereik ik Ispahaan!" –
Heb ik in 't cederpark de Dood ontmoet.
"Hebt gij van morgen vroeg mijn knecht gedreigd?"
Waarvoor uw tuinman vlood. Ik was verrast,
Die 'k 's avonds halen moest in Ispahaan."
P.N. van Eyck, de tuinman en de dood.
De tuinman die zijn noodlot niet ontvlood
Doordat hij vluchtte waar ik ook moest wezen.
Toen kon je nog voor iemand in zijn nood
De vrees voor de verdoemenis ontvlezen
En zo hem van zijn zenuwen genezen.
Maar tegenwoordig werk ik in het groot.
Bij stoeten haal ik blozend haast van schaamte
Mensen en kinderen zo ondervoed
Dat ik gewoonweg twee keer kijken moet.
Zo mager zie je zelden een geraamte.
Ze voelen al geen angst meer en geen pijn.
Ha, denken ze, daar heb je dikke Hein.’
Kees Stip
verdwijnen mag uit deze hel
IK bepaal de regels van het spel!”
De dood
Die lompe gast zal jou niet overslaan.
Nooit belt hij op en vraagt: ‘Kom ik gelegen?’
Hij komt te vroeg, te laat, zijn zeis stoot tegen
je lamp of vaas. Hij laat zijn koffie staan.
Beloftes worden niet door hem gedaan
en hij zal nooit die knekelvoeten vegen.
Hij wil niet schaken. Er wordt stuurs gezwegen
tot hij je vraagt om met hem mee te gaan.
Dat was het dan. Je bent opeens zo moe.
Hij zegt: ‘Je wist toch dat ik ooit zou komen.
Die lamp, die vaas, die doen er niet meer toe.
Kijk niet zo bang. Het sterven doet geen pijn.
Het zal een slapen, slapen zonder dromen,
het zal een slapen zonder weerga zijn.’
Patty Scholten
(Den Haag, 25 januari 1946 –
Ede, 15 maart 2019)
uit: Slapen zonder weerga (2002)
uitgever: Atlas
zondag 30 juli 2006
Wiegeliedeke
.
Wiegeliedeke
(vrij naar Guido
Gezelle)
Oh rinkelende tinkelende prateding
met schijnende lichtekes aan
kleine toetskes met cijferkes op
opdat menskes elkander verstaan
is het een bezet Palestijneke dat belt
een Jodeke of Amerikaan
een leiderke van de G7
die beslist over wie er leven mag
of belt daar een stoute Afghaan
is het een meldingske
van een bommeke boem
een aanslagske, een inslagke van een raket
en werd daar een teksteke
op dat blinkende schermke gezet
toetste hij wat letterkes in
en schreef hij zo een berichteke bot
dat hij moordekes pleegt
in den heilige name van God
en gaat dat met bloed en
met tranekes gepaard
een antwoordeke zal volgen
als er strakses
weer belwaardeke staat op de kaart.
© bert deben
trein Antwerpen – Rotterdam, zondag 30 juli
2006.
maandag 8 september 1997
donderdag 24 maart 1994
De Meester Sprak !
(zeer vrij naar P.N. Van Eyck)
Ik wou een afspraak met de Doodmaar die is richting Ispahaaneen tuinman achterna gegaandie, voor wat ik zo wilde vloodhoezeer ik ook mijn leven booder was geen overtuigen aanhij plaatste mij zelfs achteraande bleke had aan mij geen nood
ik vroeg hem waarom ik dan nieten hij, die niet wil, dan weer welverdwijnen mag uit deze hel
terwijl hij zijn bureau verlietriep hij: “Hier discuteert men nietIK bepaal de regels van het spel!”
© bert debenAntwerpen, donderdag 24 maart 1994.








