Posts tonen met het label repliekgedicht. Alle posts tonen
Posts tonen met het label repliekgedicht. Alle posts tonen

zondag 15 augustus 2021

Avondliedeke MMXXI

.
.

Avondliedeke MMXXI

en geschreven voor het Alice Nahon project van Gust Peeters
.
Nog even voor het slapen gaan
op mijn smartphone controleren
of ik genoeg reacties kreeg
en mensen mij nog steeds waarderen

ik tel de likes en alle hartjes
op facebook, twitter en LinkedIn
op snapchat en op Instagram
op alles wat ik daar verzin

ik deel ook veel, voorzie van likes
en geef reacties hier en daar
want netwerken is wederzijds
je bent er eigenlijk nooit mee klaar

soms klik ik op emoticons
tot ergens heel diep in de nacht
’t is goed om toewijding te tonen
en dan te zien wat dat heeft opgebracht.


© bert deben
Vogelwaarde, zondag 20 juni 2021
.
Foto: tijdens het Alice Nahon project 15 augustus 2021, georganiseerd door Gust Peeters, werden zowel de gedichten van Nahon als van de dichters die een repliekgedicht schreven voor dit project als gedichtenroute opgehangen aan de bomen van de oprijlaan van het Schoonselhof

Een uitgebreid verslag van de Alice Nahon middag door Vera Steenput kan je lezen op CultuurPakt: https://www.cultuurpakt.be/andere/op-bezoek-bij-alice-nahon/ 

2025 gepubliceerd in "Zonder doel zien dolen. Gedichten van en voor Alice Nahon"
Bundelpresentatie zondag 25 mei 2025, 11u - Ridderzaal Kasteel van Schoten
Bestellen voor 15 euro bij Gust Peeters via zonderdoelziendolen@gmail.com.

zondag 11 april 2021

De Wind - Martin Broek

.
© Martin Broek 2015 

Martin schreef bovenstaand gedicht in 2015 als een reactie op mijn haiku 
Gedachten raken 
op het pad van de stilte 
de eeuwigheid aan 

© bert deben 

Ik ontdekte het repliekgedicht nog maar pas en ook al zie ik mezelf of de haiku niet meteen als ‘pedant’ en vind ik niet dat religies een patent hebben op de eeuwigheid (ook voor de wetenschap is het een onderwerp), ik snap zeker de invalshoek en vind het een sterk gedicht op zich. Ik vind het sowieso al mooi als een gedicht anderen weet te inspireren en verder waardeer ik Martin al jaren voor wat hij doet (vooral in zijn aanklacht tegen de oorlogsindustrie), ik ben dan ook blij dat ik het gedicht hier mag plaatsen. De eindstrofe geeft alvast een stevige ‘voeten op de grond’ boodschap als alternatief voor de misschien wat zweverige eeuwigheid.

Wie meer van Martin Broek zou willen zien of lezen kan dit op onderstaande links:
http://broekfoto.blogspot.com/ foto's en opripsingen 
https://broekstukken.blogspot.com/ over wapenhandel en de oorlogsindustrie.

zaterdag 12 mei 2018

Leda en de Zwaan / Rilke project

.
 .
Leda en de Zwaan  

Leda had een zwak voor zwanen
zozeer zelfs dat zij Zeus niet zag
toen hij daar in zijn meer humane
staat voor haar te pronken lag  

gangbaar gingen onderdanen
gelijk voor hem al overstag
maar Leda had een zwak voor zwanen
zozeer zelfs dat zij Zeus niet zag  

voor Zeus, als god een zelfvoldane
was dit een kleine mokerslag
toch stond er op zijn mond een lach
ze was dan wel geen nymfomane
maar, Leda had een zwak voor zwanen …  
 

© bert deben
Vogelwaarde, maandag mei 2017,
voor het Rilke project van Kees Godefrooij, waarbij ik het gedicht ‘Leda’ toegewezen kreeg.
 .

Na de projecten rond Slauerhoff en Baudelaire werd dit jaar door Kees Godefrooij een project opgezet rond de dichter Rainer Maria Rilke. 

Zestig hedendaagse Nederlandse en Vlaamse dichters werden uitgenodigd om een reflectie te schrijven rond een gedicht van Rilke, hieruit ontstond de tweetalige (Nederlands/Duits) bundel “Als ik jou eenmaal verlies / Einmal wenn ich dich verlier”, uitgegeven door Stichting Spleen.  
 
16 gedichten van Rilke waren het uitgangspunt, elke dichter kreeg 1 gedicht toegewezen als inspiratie.  In mijn geval was dit het gedicht ‘Leda’ - ik koos er voor om een rondeel te schrijven rond de frustratie van Zeus en de list die hij bedacht om Leda alsnog te verleiden getransformeerd als zwaan.

Leda is in de Griekse mythologie de echtgenote van de Spartaanse koning Tyndareos en vooral bekend door het verhaal van ‘Leda en de zwaan’.  Zeus was verliefd op haar, maar kon haar niet overtuigen om met hem de liefde te bedrijven, daarom veranderde hij zichzelf in een zwaan – waar Leda naar opkeek – en wist zo Leda alsnog te verleiden. 
 
Uit schuldgevoel had Leda diezelfde avond ook gemeenschap met haar man.  Na negen maanden kreeg Leda 4 kinderen: Pollux en Helena (van Troje) waren de kinderen van Zeus, Kastor en Klytaimnestra van Tyndaeros.

Hieronder, uit de bundel, het gedicht 'Leda' van R.M. Rilke , in een vertaling door Mereie de Jong:


Voorstellingen van de bundel door de Stichting Spleen vinden plaats:
Zaterdag 12 mei, Amsterdam, Scheltema, 15 uur, presentatie Jos van Hest
Zondag 13 mei, Rotterdam, Donner, 15 uur, presentatie Jos van Hest
Zaterdag 19 mei, Den Haag, Paagman, 14 uur, presentatie Jos van Hest
Zaterdag 8 september, Nijmegen, poëziecentrum, 14 uur, presentatie Jos van Hest
Zaterdag 8 september, Gent, poëziecentrum, 15 uur, presentatie Nelleke Lamme-den Boer en Tom Veys 
Telkens zullen een tiental dichters voordragen en zijn vertalers Mereie de Jong en/of Janet Blanken aanwezig.

donderdag 23 februari 2017

De Juwelen / Les Bijoux - Charles Baudelaire + La Plainte d'une Perle noire

      
DE JUWELEN

Mijn lieveling was naakt, en om mijn hart te winnen,
Had ze alleen haar klinkende juwelen aan;
Als in hun blijde jeugd Noord-Afrika’s slavinnen
Was zij door die zo rijke tooi niet te weerstaan.

Haar opschik danst met schel getinkel, lijkt te spotten,
Als zij de wereld van metalen samenbrengt
Met die van edelsteen; ik ben daarop verzot en
’t verrukt me als geluid met lichtglans zich vermengt.

Vanaf haar hoge divan glimlachte ze toen tegen
Mijn liefde, diep gelijk de zee, die langzaamaan
Naar haar, als naar een rotskust, kwam omhooggestegen;
Zo lag ze en zo bood ze mij haar liefde aan.

Met verdroomde air beproefde ze wat poses,
Haar ogen star als een getemde tijgerin,
Nieuwe bekoring kregen haar metamorfoses,
Toen onbevangenheid versmolt met geile zin;

Haar armen en haar benen, lendenen en dijen,
Haar buik, van olie glanzend, welvend als een zwaan,
Mijn helderziende blik mocht zich erin vermeien,
Haar borsten zag ik (ach, als druiventrossen) aan;

Ze lokten me nog meer dan Satans Serafijnen,
De rust verstorend die mijn ziel gevonden had,
Om haar van de kristallen rots te doen verdwijnen
Waarop zij kalm en zelfgenoegzaam nederzat. 

Ik dacht in haar een nieuwe mensvorm te ontdekken,
Antiope van heup, een tors van jongeman,
Zozeer bewees haar leest de schoonheid van haar bekken,
En op haar wild, bruin vel werkte de schmink briljant!

- Toen heeft de olielamp zijn schijnsel later smoren,
Alleen het gloeien van de haard was nog niet uit,
En steeds wanneer het vuur vlammend gesis liet horen,
Bevloeide het bloedrood de amber van haar huid! 


Charles Baudelaire  vertaling Peter Verstegen

n.a.v. het verschijnen van de spraakmakende bundel 'Les fleurs du mal' van Charles Baudelaire, bracht de Nederlandse Stichting Spleen de tweetalige bundel 'Als engel, maar met roofdierogen / je t'adore à l'égal de voûte nocturne' uit, met enerzijds gedichten van Charles Baudelaire, anderzijds reflecties op deze gedichten door andere dichters.
 
meer info rond de bundel en de voorstellingen hier van kan men vinden op:
 
ik kreeg 'De Juwelen' toegewezen als gedicht en ook al is de bundel een ode aan Baudelaire, mijn repliekgedicht werd dat heel wat minder.  Ik kroop in de huid van de Afrikaanse dame uit het gedicht en schreef van uit een feministische reflex een heel wat minder flatterend antwoord aan de schrijver zelf. Voor sommigen misschien wat ruw en vulgair, maar was nu net Baudelaire dat in zijn tijd ook niet ...
 

LA PLAINTE D’UNE PERLE NOIRE 

Ik ben jouw zwarte hoer, jouw beeld van wat 
een vrouw moet zijn, een portie onderdelen 
bekken, borsten, dijen, een lichaam dat 
alleen nog maar gekleed is in juwelen 

en verlangend op en neer schuift rond jouw paal 
je noemt mij duivels en een vat vol lust 
de zwarte bekroning van jouw bacchanaal 
verboden kleur, bezorger van onrust 

maar wat ben jij - een grauw lijf vol abcessen  
een blanke die, ook al is het gestolen 
als alle overheersers hier het geld bezit 
een uitbuiter achter woorden verscholen 

al beschrijf je nog zo mooi de excessen 
ik dans voor een aalmoes op jouw etterend lid. 


Bert Deben












.
LES BIJOUX

La très chère était nue, et, connaissant mon cœur,
Elle n’avait gardé que ses bijoux sonores,
Dont le riche attirail lui donnait l’air vainqueur
Qu’ont dans leurs jours heureux les esclaves des Mores.

Quand il jette en dansant son bruit vif et moqueur,
Ce monde rayonnant de métal et de pierre
Me ravit en extase, et j’aime à la fureur
Les choses où le son se mêle à la lumière.

Elle était donc couchée et se laissait aimer,
Et du haut du divan elle souriait d’aise
À mon amour profond et doux comme la mer,
Qui vers elle montait comme vers sa falaise.

Les yeux fixés sur moi, comme un tigre dompté,
D’un air vague et rêveur elle essayait des poses,
Et la candeur unie à la lubricité
Donnait un charme neuf à ses métamorphoses ;

Et son bras et sa jambe, et sa cuisse et ses reins,
Polis comme de l’huile, onduleux comme un cygne,
Passaient devant mes yeux clairvoyants et sereins ;
Et son ventre et ses seins, ces grappes de ma vigne,

S’avançaient, plus câlins que les Anges du mal,
Pour troubler le repos où mon âme était mise,
Et pour la déranger du rocher de cristal
Où, calme et solitaire, elle s’était assise.

Je croyais voir unis par un nouveau dessin
Les hanches de l’Antiope au buste d’un imberbe,
Tant sa taille faisait ressortir son bassin.
Sur ce teint fauve et brun le fard était superbe !

– Et la lampe s’étant résignée à mourir,
Comme le foyer seul illuminait la chambre,
Chaque fois qu’il poussait un flamboyant soupir,
Il inondait de sang cette peau couleur d’ambre !


Charles Baudelaire
.








Pour ma réponse, je me suis mis dans la peau de la femme dans le poème, une femme consciente, féministe et pas vraiment impressioné par l'écrivain:


LA PLAINTE D’UNE PERLE NOIRE

Je suis ta putain noire, ton image de ce
qu’une femme devrait être, un nombre
de portions : des hanches, une poitrine, des cuisses
un corps habillé seulement de bijoux

qui glisse languissant de haut en bas autour de ta bite
tu m’appelles diabolique, un tonneau plein de luxure
couronnement noir de ta bacchanale
couleur interdite, porteuse d’agitation

et toi, qu’es-tu ? – un corps livide plein d’abcès
un homme blanc qui, comme tous les oppresseurs ici
possède tout l’argent, même s’il est volé,
exploiteur se cachant derrière les mots

tu décris voluptueusement les excès, mais moi je danse
sur ta queue suppurante, pour une simple aumône.


Bert Deben


zaterdag 31 mei 2014

Het Huwelijk - Willem Elsschot


Het Huwelijk .
.
Toen hij bespeurde hoe de nevel van de tijd
in d'ogen van zijn vrouw de vonken uit kwam doven,
haar wangen had verweerd, haar voorhoofd had doorkloven
toen wendde hij zich af en vrat zich op van spijt. 

Hij vloekte en ging te keer en trok zich bij de baard
en mat haar met de blik, maar kon niet meer begeren,
hij zag de grootse zonde in duivelsplicht verkeren
en hoe zij tot hem opkeek als een stervend paard. 

Maar sterven deed zij niet, al zoog zijn helse mond
het merg uit haar gebeente, dat haar toch bleef dragen.
Zij dorst niet spreken meer, niet vragen of niet klagen,
en rilde waar zij stond, maar leefde en bleef gezond. 

Hij dacht: ik sla haar dood en steek het huis in brand.

Ik moet de schimmel van mijn stramme voeten wassen
en rennen door het vuur en door het water plassen
tot bij een ander lief in enig ander land. 

Maar doodslaan deed hij niet, want tussen droom en daad
staan wetten in de weg en praktische bezwaren,
en ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren,
en die des avonds komt, wanneer men slapen gaat. 

Zo gingen jaren heen. De kindren werden groot
en zagen dat de man die zij hun vader heetten,
bewegingsloos en zwijgend bij het vuur gezeten,
een godvergeten en vervaarlijke aanblik bood.


Willem Elsschot
(Geb. Alfons De Ridder, 7 mei 1882 – 31 mei 1960)

 
‘Het Huwelijk’ is veruit het bekendste gedicht van de Antwerpse schrijver Willem Elsschot – hij schreef het op 7 mei 1910 te Rotterdam op zijn 28ste verjaardag. Vooral de zin ‘want tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren’ werd een veel geciteerde uitdrukking, waarvan nog maar weinigen de oorsprong zullen kennen. Het gedicht op zich is dan weer één van de meest beruchte gedichten uit de Nederlandstalige literatuur, vooral door de voor velen toch wel heel confronterende kijk op een huwelijk. 

Elsschot en gezin

Tijdens een radio interview met de kinderen van Elsschot vertelden deze hoe pijnlijk ze het vonden voor hun moeder dat ‘Het Huwelijk’ steeds weer geciteerd werd – later zou het ook als lied bekend worden. In dat zelfde interview vertelden ze ook dat de vrouw van Elsschot binnen de 24 uur na zijn overlijden zelf zou sterven – na zijn dood bracht zij de kinderen hiervan op de hoogte, om zich daarna naast hem te leggen op het bed en kort daarna eeuwig in te slapen. Zijn as ligt samen met het lichaam van zijn echtgenote begraven op
Het Schoonselhof te Antwerpen. 

Elsschot werd vooral bekend als prozaschrijver (o.a. ‘Kaas’, ‘Tsjip’ en ‘Het Dwaallicht’)  Meer info over Willem Elsschot:
http://nl.wikipedia.org/wiki/Willem_Elsschot
of via de website van het Willem Elsschot Genootschap: http://www.weg.be/ 

Het gedicht zette mij aan om, van uit het standpunt van een gefantaseerde kennis des huizes, een antwoordgedicht te schrijven:

Het Huwelijk 
      (antwoordsonnet, vrij naar het gedicht van Elsschot,
     van uit het standpunt van een vriend des huizes)

Ze heeft hem altijd trouw gediend
tot aan zijn allerlaatste uur
vanaf ’t begin, maar ook nadien
toen hij verbitterd en verzuurd

teleurgesteld, door heel het leven
haar heeft vernederd en geslagen
ze bleef bij hem en hem vergeven
in goede en in slechte dagen

en ja, ook zij heeft wel gedacht
dat zonder beter was dan met
maar luidop heeft zij ’t nooit gezegd
zo was zij ook niet groot gebracht

en toen hij dood lag daar op bed
heeft zij er zich bij neer gelegd.


© bert deben
Frankrijk, vrijdag 23 mei 2014, 
geschreven tijdens een busrit van Duinkerke naar Calais.  


zaterdag 2 juni 2012

Ode aan 'De tuinman en de dood' (P.N. van Eyck)

.
Tekening Hendrick Goltzius 1558 - 1617




Een Perzisch Edelman:

Van morgen ijlt mijn tuinman, wit van schrik,
Mijn woning in: "Heer, Heer, één ogenblik!  

Ginds, in de rooshof, snoeide ik loot na loot,
Toen keek ik achter mij. Daar stond de Dood.

Ik schrok, en haastte mij langs de andere kant,
Maar zag nog juist de dreiging van zijn hand.

Meester, uw paard, en laat mij spoorslags gaan,
Voor de avond nog bereik ik Ispahaan!" –

Van middag (lang reeds was hij heengespoed)
Heb ik in 't cederpark de Dood ontmoet.

"Waarom," zo vraag ik, want hij wacht en zwijgt,
"Hebt gij van morgen vroeg mijn knecht gedreigd?"

Glimlachend antwoordt hij: "Geen dreiging was 't,
Waarvoor uw tuinman vlood. Ik was verrast,

Toen 'k 's morgens hier nog stil aan 't werk zag staan,
Die 'k 's avonds halen moest in Ispahaan."


P.N. van Eyck (1887 – 1954)


‘De tuinman en de Dood’ is waarschijnlijk één van de meeste gekende gedichten uit de Nederlandse literatuur.  Over de herkomst en de originaliteit er van is er ook al het nodige geschreven en opgezocht.  De auteur Herman Franke (1948) heeft de speurtocht naar de bron van het gedicht beschreven in zijn boek "De tuinman en de dood van Diana", in 1999 uitgegeven bij Podium.

Pieter Nicolaas van Eyck (1 oktober 1887, Breukelen - 10 april 1954, Wassenaar - Nederlands dichter en criticus), zou plagiaat hebben gepleegd door het te vertalen van een Franstalige versie van Jean Cocteau, zonder diens naam te vermelden.  Hieronder de originele versie uit de roman ‘Le Grand Ecart’, van Cocteau, die 3 jaar voor het uitbrengen van het gedicht verscheen:


Un jeune jardinier persan dit à son prince: “J’ai rencontré la Mort ce matin. Elle m’a fait un geste de menace. Sauve-moi! Je voudrais être par miracle, à Ispahan ce soir.”

Le bon prince prête ses chevaux. L’après-midi, ce prince rencontre la Mort. “Pourquoi lui demande-t-il avez-vous fait ce matin, à notre jardinier, un geste de menace?”

“Je n’ai pas fait un geste de menace,” répond-elle, “mais un geste de surprise. Car je le voyais loin d’Ispahan ce matin et je dois le prendre à Ispahan ce soir.”

Jean Cocteau


Of men echt van plagiaat kan spreken is nog de vraag, want ook Cocteau heeft het verhaal ‘geleend’.  Varianten van dit verhaal komen voor in heel wat middeleeuwse parabels geschreven door islamitische soefi’s.  De meest bekende versie uit die periode is die van de schrijver Roemi (1207-1273). Deze versie, te vinden in het Korancommentaar Masnavi-i Ma'navi, vertelt hoe Sulayman (koning Salomo) in zijn paleis (in Jeruzalem) een dienaar ontvangt die zegt de doodsdemon Azraël te hebben ontmoet en vraagt te mogen vluchten naar India, waarna Sulayman van Azraël verneemt dat hij diens dienaar in India moest halen.

De oudste versie van het verhaal is de Babylonische Talmoed, waarin koning Salomo een gesprek heeft met de Engel des Doods, die twee van Salomo's klerken zegt te komen halen. Salomo, die in de Joodse traditie al eerder een reputatie had verworven als magiër, beveelt daarop enkele geesten om het tweetal in veiligheid te brengen in het land Luz. De volgende dag komt de Dood Salomo lachend tegemoet, omdat de koning zijn dienaren heeft gezonden naar de plaats waar de Engel des Doods ze moest afhalen. 

Een moderne variant is dan weer te vinden in het stripverhaal Persepolis van Marjane Satrapi.  Maar ook in de Nederlandse literatuur vind men verschillende varianten (parodieën) op het gedicht, waarvan ik persoonlijk die van Kees Stip de sterkste vind:
 

‘Ja,’ zei de dood, ‘ik heb het ook gelezen:
P.N. van Eyck, de tuinman en de dood.
De tuinman die zijn noodlot niet ontvlood
Doordat hij vluchtte waar ik ook moest wezen.

Toen kon je nog voor iemand in zijn nood
De vrees voor de verdoemenis ontvlezen
En zo hem van zijn zenuwen genezen.
Maar tegenwoordig werk ik in het groot.

Bij stoeten haal ik blozend haast van schaamte
Mensen en kinderen zo ondervoed
Dat ik gewoonweg twee keer kijken moet.
Zo mager zie je zelden een geraamte.
Ze voelen al geen angst meer en geen pijn.
Ha, denken ze, daar heb je dikke Hein.’


Kees Stip


Ook op mij had het gedicht destijds een grote invloed – het was zowat het eerste gedicht dat mij meteen helemaal aansprak en mij zeker ook mee aanzette om zelf te gaan dichten.  In 1994 schreef ik er een ‘antwoordgedicht’ op, waarmee ik dan ook graag afsluit:


De Meester Sprak !
                               (zeer  vrij naar P.N. Van Eyck)


Ik wou een afspraak met de Dood
maar die is richting Ispahaan
een tuinman achterna gegaan
die, voor wat ik zo wilde vlood

hoezeer ik ook mijn leven bood
er was geen overtuigen aan
hij plaatste mij zelfs achteraan
de bleke had aan mij geen nood

ik vroeg hem waarom ik dan niet
en hij, die niet wil, dan weer wel
verdwijnen mag uit deze hel

terwijl hij zijn bureau verliet
riep hij: “Hier discuteert men niet
IK bepaal de regels van het spel!”


© bert deben
Antwerpen, donderdag 24 maart 1994.


Ook nog een wijs gedicht van Patty Scholten over hoe de dood en hoe die met niets rekening houdt, op een dag staat hij er gewoon en slaap je in:

De dood 

Die lompe gast zal jou niet overslaan.
Nooit belt hij op en vraagt: ‘Kom ik gelegen?’
Hij komt te vroeg, te laat, zijn zeis stoot tegen
je lamp of vaas. Hij laat zijn koffie staan.
 
Beloftes worden niet door hem gedaan
en hij zal nooit die knekelvoeten vegen.
Hij wil niet schaken. Er wordt stuurs gezwegen
tot hij je vraagt om met hem mee te gaan.
 
Dat was het dan. Je bent opeens zo moe.
Hij zegt: ‘Je wist toch dat ik ooit zou komen.
Die lamp, die vaas, die doen er niet meer toe.
 
Kijk niet zo bang. Het sterven doet geen pijn.
Het zal een slapen, slapen zonder dromen,
het zal een slapen zonder weerga zijn.’

 
 
Patty Scholten

(Den Haag, 25 januari 1946 – Ede, 15 maart 2019)

uit: Slapen zonder weerga (2002)
uitgever: Atlas


.

zondag 30 juli 2006

Wiegeliedeke

 

.

Wiegeliedeke

            (vrij naar Guido Gezelle)

Oh rinkelende tinkelende prateding

met schijnende lichtekes aan

kleine toetskes met cijferkes op

opdat menskes elkander verstaan

 

is het een bezet Palestijneke dat belt

een Jodeke of Amerikaan

een leiderke van de G7

die beslist over wie er leven mag

of belt daar een stoute Afghaan

 

is het een meldingske

van een bommeke boem

een aanslagske, een inslagke van een raket

en werd daar een teksteke

op dat blinkende schermke gezet

 

toetste hij wat letterkes in

en schreef hij zo een berichteke bot

dat hij moordekes pleegt

in den heilige name van God

 

en gaat dat met bloed en

met tranekes gepaard

een antwoordeke zal volgen

als er strakses 

weer belwaardeke staat op de kaart.

 

© bert deben

trein Antwerpen – Rotterdam, zondag 30 juli 2006. 


donderdag 24 maart 1994

 

 De Meester Sprak !

                               (zeer  vrij naar P.N. Van Eyck)


Ik wou een afspraak met de Dood
maar die is richting Ispahaan
een tuinman achterna gegaan
die, voor wat ik zo wilde vlood

hoezeer ik ook mijn leven bood
er was geen overtuigen aan
hij plaatste mij zelfs achteraan
de bleke had aan mij geen nood 
 
ik vroeg hem waarom ik dan niet
en hij, die niet wil, dan weer wel
verdwijnen mag uit deze hel 
 
terwijl hij zijn bureau verliet
riep hij: “Hier discuteert men niet
IK bepaal de regels van het spel!” 
 

© bert deben
Antwerpen, donderdag 24 maart 1994.