dinsdag 26 juli 2022
zondag 11 juli 2021
Boomen - Guido Gezelle
B O O M E N
Hoe eigen zijn de boomen al,
van dracht en groeibaarheid:
de hulst en bloot zijn' takken nooit,
hoe fel de buien berschen;
de beukenboom zijn' handen naar
den hemel openspreidt;
en, slaande, schijnt de berkenroe
den wilden wind te derschen!
Op wacht, en achter 't water, staan,
gekroond met immer versch
gewaai, de dikke koppen van
de ontaarde wilgenstompen;
en de elzenhouten stammen zie 'k,
verzopen onder 't gers
der natte zompe, allengerhand
ze leêg- en droogepompen.
Den eekenboom bewondere ik,
die, wortelvast, alleen,
in 't slaghout, en van krachten en
van schoonheid heel gebleven,
de keizer schijnt, het opperhoofd,
de herder, algemeen,
der machtelooze rijzels, die
beneên zijn' grootheid beven.
Het schaduwvolle lindenloof
te geren schouwe ik aan,
van geur onovertroffen, als 't
aan 't bloeien is; en 't ronken
der bezigzijnde bietjes, op
de blommen en de blaân,
is zoete, alsof er harpen langs
de lindenlanen klonken.
Die de eerste, die de laatste zijt,
in 't warme, in 't koude jaar,
hoogstammig, hooggespilde, hoog-
getopte abeelen, binnen
uw' alderhoogsten gaffel zit
het schilde vogelpaar
dat schetterbekt, zijn luchtgebouw
zorgvuldiglijk te ontginnen.
En, verre en na, gedoken in
den essche, en in den iep;
in doorenhagen, dennenhout,
in olmen, in platanen;
in appel-, pere- en kriekelaar,
zoo roert er een gepiep
van vogels, die voor vogels, hun'
oorije, de wegen banen.
Terwijl, geschoten hemelwaards,
als uit nen boge, snel,
den espenboom ik striemen zie
van verre; en teeken geven
dat hier, in onze lucht en in
de veie gronden fel,
van 't vogelvolle Vlanderland,
nog boomen staan, die leven.
Guido Gezelle (Brugge, 1 mei 1830 – 27 november 1899)
Uit 'Rijmsnoer' (Schrikkelmaand)
woensdag 13 februari 2013
Dien Avond en die Roze - G. Gezelle
gesleten en genoten,
en nooit en heeft een uur met u
me een enklen stond verdroten.
'k Heb menig menig blom voor u
gelezen en geschonken,
en, lijk een bie, met u, met u,
er honing uit gedronken;
maar nooit een uur zo lief met u,
zo lang zij duren koste,
maar nooit een uur zo droef om u,
wanneer ik scheiden moste,
als het uur wanneer ik dicht bij u,
dien avond, neergezeten,
u spreken hoorde en sprak tot u
wat onze zielen weten.
Noch nooit een blom zo schoon, van u
gezocht, geplukt, gelezen,
als die dien avond blonk op u,
en mocht de mijne wezen !
Ofschoon, zo wel voor mij als u,
-wie zal dit kwaad genezen ?-
een uur bij mij, een uur bij u,
niet lang een uur mag wezen;
ofschoon voor mij, ofschoon voor u,
zo lief en uitgelezen,
die roze, al was 't een roos van u,
niet lang een roos mocht wezen,
toch lang bewaart, dit zeg ik u,
't en ware ik 't al verloze,
mijn hert drie dierbre beelden: U,
dien avond - en - die roze !
Geschreven op 1 november 1858, voor zijn leerling Eugeen van Oye.
zondag 30 juli 2006
Wiegeliedeke
.
Wiegeliedeke
(vrij naar Guido
Gezelle)
Oh rinkelende tinkelende prateding
met schijnende lichtekes aan
kleine toetskes met cijferkes op
opdat menskes elkander verstaan
is het een bezet Palestijneke dat belt
een Jodeke of Amerikaan
een leiderke van de G7
die beslist over wie er leven mag
of belt daar een stoute Afghaan
is het een meldingske
van een bommeke boem
een aanslagske, een inslagke van een raket
en werd daar een teksteke
op dat blinkende schermke gezet
toetste hij wat letterkes in
en schreef hij zo een berichteke bot
dat hij moordekes pleegt
in den heilige name van God
en gaat dat met bloed en
met tranekes gepaard
een antwoordeke zal volgen
als er strakses
weer belwaardeke staat op de kaart.
© bert deben
trein Antwerpen – Rotterdam, zondag 30 juli
2006.


