Herfstwrevel - © bert deben Antwerpen, 11 november 2024
Fotobewerking van Designboom Monsieur Plant
Het kan niet eeuwig winter zijn
de boom strekt zijn takken
kleurt nieuwe knopjes bij
en verlangt naar zuurstof geven
de mens vergeet om te bewonderen
maar als de lente het leven kleurt
voelt hij, dat wat ontbrak terugkeert
bevat hij, dat er een wonde was
het kan niet eeuwig winter zijn
denkt de boom en hij wortelt zich
in de harten van wie ademt, maar
nog niet beseft waar we zijn aanbeland
de boom wortelt zich in gevoel en denkt:
nu nog vertakken tot in hun verstand
© bert deben
Brussel, Fontainaspark, donderdag 28 maart 2024, voor Annemie.
Werd mei 2024 gepubliceerd in WWF bundel ‘Eén met de natuur’
Hier wil ik boom zijn
de eenzaamheid trotseren
en toch ook niet
want vogels nestelen de liefde en
insecten het bestaan in mij
maar alles gaat voorbij
zoals de wolken en seizoenen
de kleuren en de schijn
doch zwart op wit als ik hier sta
wil ik ook blijven
mij wortelen in woorden
en bedaarder
dan de aarde en het landschap zijn.
© bert deben

B O O M E N
Hoe eigen zijn de boomen al,
van dracht en groeibaarheid:
de hulst en bloot zijn' takken nooit,
hoe fel de buien berschen;
de beukenboom zijn' handen naar
den hemel openspreidt;
en, slaande, schijnt de berkenroe
den wilden wind te derschen!
Op wacht, en achter 't water, staan,
gekroond met immer versch
gewaai, de dikke koppen van
de ontaarde wilgenstompen;
en de elzenhouten stammen zie 'k,
verzopen onder 't gers
der natte zompe, allengerhand
ze leêg- en droogepompen.
Den eekenboom bewondere ik,
die, wortelvast, alleen,
in 't slaghout, en van krachten en
van schoonheid heel gebleven,
de keizer schijnt, het opperhoofd,
de herder, algemeen,
der machtelooze rijzels, die
beneên zijn' grootheid beven.
Het schaduwvolle lindenloof
te geren schouwe ik aan,
van geur onovertroffen, als 't
aan 't bloeien is; en 't ronken
der bezigzijnde bietjes, op
de blommen en de blaân,
is zoete, alsof er harpen langs
de lindenlanen klonken.
Die de eerste, die de laatste zijt,
in 't warme, in 't koude jaar,
hoogstammig, hooggespilde, hoog-
getopte abeelen, binnen
uw' alderhoogsten gaffel zit
het schilde vogelpaar
dat schetterbekt, zijn luchtgebouw
zorgvuldiglijk te ontginnen.
En, verre en na, gedoken in
den essche, en in den iep;
in doorenhagen, dennenhout,
in olmen, in platanen;
in appel-, pere- en kriekelaar,
zoo roert er een gepiep
van vogels, die voor vogels, hun'
oorije, de wegen banen.
Terwijl, geschoten hemelwaards,
als uit nen boge, snel,
den espenboom ik striemen zie
van verre; en teeken geven
dat hier, in onze lucht en in
de veie gronden fel,
van 't vogelvolle Vlanderland,
nog boomen staan, die leven.
Guido Gezelle (Brugge, 1 mei 1830 – 27 november 1899)
Uit 'Rijmsnoer' (Schrikkelmaand)