Mijn lieveling was naakt, en om mijn hart te winnen, Had ze alleen haar klinkende juwelen aan; Als in hun blijde jeugd Noord-Afrika’s slavinnen Was zij door die zo rijke tooi niet te weerstaan.
Haar opschik danst met schel getinkel, lijkt te spotten, Als zij de wereld van metalen samenbrengt Met die van edelsteen; ik ben daarop verzot en ’t verrukt me als geluid met lichtglans zich vermengt.
Vanaf haar hoge divan glimlachte ze toen tegen Mijn liefde, diep gelijk de zee, die langzaamaan Naar haar, als naar een rotskust, kwam omhooggestegen; Zo lag ze en zo bood ze mij haar liefde aan.
Met verdroomde air beproefde ze wat poses, Haar ogen star als een getemde tijgerin, Nieuwe bekoring kregen haar metamorfoses, Toen onbevangenheid versmolt met geile zin;
Haar armen en haar benen, lendenen en dijen, Haar buik, van olie glanzend, welvend als een zwaan, Mijn helderziende blik mocht zich erin vermeien, Haar borsten zag ik (ach, als druiventrossen) aan;
Ze lokten me nog meer dan Satans Serafijnen, De rust verstorend die mijn ziel gevonden had, Om haar van de kristallen rots te doen verdwijnen Waarop zij kalm en zelfgenoegzaam nederzat.
Ik dacht in haar een nieuwe mensvorm te ontdekken, Antiope van heup, een tors van jongeman, Zozeer bewees haar leest de schoonheid van haar bekken, En op haar wild, bruin vel werkte de schmink briljant!
- Toen heeft de olielamp zijn schijnsel later smoren, Alleen het gloeien van de haard was nog niet uit, En steeds wanneer het vuur vlammend gesis liet horen, Bevloeide het bloedrood de amber van haar huid!
ik kreeg 'De Juwelen' toegewezen als gedicht en ook al is de bundel een ode aan Baudelaire, mijn repliekgedicht werd dat heel wat minder. Ik kroop in de huid van de Afrikaanse dame uit het gedicht en schreef van uit een feministische reflex een heel wat minder flatterend antwoord aan de schrijver zelf. Voor sommigen misschien wat ruw en vulgair, maar was nu net Baudelaire dat in zijn tijd ook niet ...
Ik ben jouw zwarte hoer, jouw beeld van wat een vrouw moet zijn, een portie onderdelen bekken, borsten, dijen, een lichaam dat alleen nog maar gekleed is in juwelen
en verlangend op en neer schuift rond jouw paal je noemt mij duivels en een vat vol lust de zwarte bekroning van jouw bacchanaal verboden kleur, bezorger van onrust
maar wat ben jij - een grauw lijf vol abcessen een blanke die, ook al is het gestolen als alle overheersers hier het geld bezit een uitbuiter achter woorden verscholen
al beschrijf je nog zo mooi de excessen ik dans voor een aalmoes op jouw etterend lid.
La très chère était nue, et, connaissant mon cœur, Elle n’avait gardé que ses bijoux sonores, Dont le riche attirail lui donnait l’air vainqueur Qu’ont dans leurs jours heureux les esclaves des Mores.
Quand il jette en dansant son bruit vif et moqueur, Ce monde rayonnant de métal et de pierre Me ravit en extase, et j’aime à la fureur Les choses où le son se mêle à la lumière.
Elle était donc couchée et se laissait aimer, Et du haut du divan elle souriait d’aise À mon amour profond et doux comme la mer, Qui vers elle montait comme vers sa falaise.
Les yeux fixés sur moi, comme un tigre dompté, D’un air vague et rêveur elle essayait des poses, Et la candeur unie à la lubricité Donnait un charme neuf à ses métamorphoses ;
Et son bras et sa jambe, et sa cuisse et ses reins, Polis comme de l’huile, onduleux comme un cygne, Passaient devant mes yeux clairvoyants et sereins ; Et son ventre et ses seins, ces grappes de ma vigne,
S’avançaient, plus câlins que les Anges du mal, Pour troubler le repos où mon âme était mise, Et pour la déranger du rocher de cristal Où, calme et solitaire, elle s’était assise.
Je croyais voir unis par un nouveau dessin Les hanches de l’Antiope au buste d’un imberbe, Tant sa taille faisait ressortir son bassin. Sur ce teint fauve et brun le fard était superbe !
– Et la lampe s’étant résignée à mourir, Comme le foyer seul illuminait la chambre, Chaque fois qu’il poussait un flamboyant soupir, Il inondait de sang cette peau couleur d’ambre !
Charles Baudelaire .
Pour ma réponse, je me suis mis dans la peau de la femme dans le poème, une femme consciente, féministe et pas vraiment impressioné par l'écrivain:
Je suis ta putain noire, ton image de ce qu’une femme devrait être, un nombre de portions : des hanches, une poitrine, des cuisses un corps habillé seulement de bijoux
qui glisse languissant de haut en bas autour de ta bite tu m’appelles diabolique, un tonneau plein de luxure couronnement noir de ta bacchanale couleur interdite, porteuse d’agitation
et toi, qu’es-tu ? – un corps livide plein d’abcès un homme blanc qui, comme tous les oppresseurs ici possède tout l’argent, même s’il est volé, exploiteur se cachant derrière les mots
tu décris voluptueusement les excès, mais moi je danse sur ta queue suppurante, pour une simple aumône.
Vrijdag 6 januari 2017 mocht ik samen met Caroline In’t Veld en haar band mijn gedicht ‘Uit losse stenen’ brengen als een extra onderdeel van de song ‘Even bij elkaar’ tijdens Noardewyn Live, een programma van Omrop Fryslân. Ik mocht er ook kort mezelf en mijn bundel ‘Na het vrijen steek ik een gedicht op’ voorstellen aan het publiek. Caroline en haar band mochten ook nog enkele andere songs voorstellen uit haar prachtige CD ‘Tot de zon opkomt’.
Het muzikale gedeelte van de show kan men bekijken op onderstaande youtube video
(het nummer samen met Caroline en de band start hier op 6’35”):
Noardewyn Live fan 6 jannewaris 2017
Het uitgeknipte nummer waarin ik mijn gedicht
samen met Caroline en de groep breng:
Een fotoreportage van de dag:
met dank voor de foto’s aan Simone en Egbert, alsook voor de supergezellige ontvangst en logies!